Verslag: Martijn Van Groningen
Afgelopen zaterdag 28 augustus 2010 beleefde Initiaal, de alumni-organisatie van het Plantin Genootschap, zijn eerste lustrum. Tijdens deze vijfde editie van het Zomertyposium belichtten publicist Jos van den Broek, illustrator Klaas Verplancke en striprecensent Geert De Weyer het begrip ‘beeldtaal’ vanuit drie verschillende invalshoeken. Een belangrijke rode draad in de bijdragen was, dat het vermogen om beeldtaal goed te interpreteren niet vanzelfsprekend is en misschien zelfs omgekeerd evenredig is aan onze mate van alfabetisering.
Kijken, begrijpen en overtuigd worden
Jos van den Broek (1951) was de eerste die deze gedachte formuleerde. Hij sprak over de drietrapsraket van visuele communicatie. Ten eerste zijn er Gestalt-wetten, die ons helpen te analyseren wat er in een afbeelding objectief te zien is; vervolgens de semiotiek (welke betekenis geven wij hieraan op basis van wat we zien, maar ook op basis van een gedeelde culturele context); en ten slotte gaat de retorica over de vraag in hoeverre de afbeelding de beschouwer overtuigt van zijn waarheid.
Na deze theoretische inleiding zette Jos van den Broek in het tweede praktisch deel het publiek aan het denken over de grafische presentatie van informatie aan de hand van de vraag ‘Hoe kan dit beter?’ Daarbij passeerden infographics de revue over weergave van de diverse verhoudingen in de Nederlandse Tweede Kamer, de werking van de Leuvense gascel en over verwerking van afvalstoffen in de nieren.
Moment suprème
‘Iedereen kan een stoel tekenen, maar een illustrator kan tekenen wat een stoel denkt’. Dit beschrijft in een notendop hoe illustrator en internationaal prijsbeest Klaas Verplancke (1964) over zijn werk denkt. Gebruik makend van voorbeelden uit zijn 20-jarige loopbaan als illustrator (en schrijver), opgenomen in het onlangs verschenen First Klaasbook, beschreef hij zijn ontwikkeling tot internationaal erkend illustrator. Zijn interesse voor narratieve, religieuze kunst uit de middeleeuwen en de renaissance is daarbij van doorslaggevend belang geweest. Vooral zijn fascinatie voor de vraag wat er juist vóór en ná het afgebeelde moment suprème gebeurt: dát bepaalt immers hoe het afgebeelde moment wordt vormgegeven.
Klaas Verplancke lanceerde het meest uitgesproken de opvatting, dat toenemende alfabetisering ertoe heeft geleid, dat we steeds minder in staat zijn om verhalende afbeeldingen onmiddellijk te ‘lezen’ en te begrijpen. Tegelijk onderscheidt de mate waarin een illustrator de vaardigheid beheerst om niet alleen goed te kunnen illustreren, maar in de afbeelding zelf ook goed te kunnen vertellen, een goed tekenaar van een fantastisch illustrator. Verplancke verstaat die kunst in optima forma en plaatst zich daarmee in de traditie van verhalende schilders als de gebroeders Van Eyck en Jeroen Bosch, door wie hij zich ook laat inspireren en die zich laat samenvatten in het begrip storyboarding.
Graphic novel
De geïnstitutionaliseerde vorm van een storyboard is een strip, en dat is waar Geert De Weyer (1968) het publiek over onderhield. In zijn bijdrage ging De Weyer vooral in op de graphic novel. Een genre dat opgang maakte door de stripuitgave van de hand van Dick Matena van de roman De Avonden van Gerard Reve. Een genre ook waarvan allerminst duidelijk is wat er nu precies onder wordt verstaan. Inhoud en tekentechniek zijn diffuus; het verschijningsformaat lijkt het enige gemeenschappelijke kenmerk te zijn.
In ieder geval is de graphic novel ook een genre, dat vooral vrouwen lijkt aan te spreken. Traditioneel zijn vrouwen – anders dan karikaturaal – voorwerp noch liefhebber van strips. Ze waren eenvoudig als mens van vlees en bloed tot dan toe afwezig in strips. Dit had niet zo zeer te maken met vrouwonvriendelijke opvattingen van de tekenaars, als wel met een Franse protectionistische maatregel die bepaalde dat vrouwelijke kenmerken, waaronder borsten, bovenbenen en knieën niet zichtbaar mochten zijn. Met de komst van de graphic novel is het tij gekeerd; niet alleen figureren vrouwen als hoofdfiguur, maar vrouwen zijn ook de auteur.
Typosiumprent
De Typosiumprent voor deze lustrumeditie was van de hand van een laureaat van het Plantin Genootschap, Frank-Ivo van Damme (1932). Voor de kopergravure, die in een oplage van 50 unieke en gesigneerde exemplaren is gedrukt, heeft hij zich laten inspireren door zijn liefde voor de typografie, die hij op de voor hem kenmerkende licht sensuele wijze heeft vormgegeven in een bijna stripachtige setting.
Op dit eerste Lustrum kijkt Initiaal met veel voldoening terug. Een volle – enthousiast deelnemende – zaal met veel (oud)studenten, docenten en anderen betrokken bij het Plantin Genootschap.
Dank aan de gewaardeerde sponsoren was zeker op z’n plaats.







